Biostimulanten: zo scheid je het kaf van het koren
Het is geen gewasbeschermingsmiddel, het is niet perse biologisch en het is ook geen voeding voor de plant. Maar wat zijn biostimulanten dan wel? Je hoort het al: misverstanden zijn er genoeg, dus hooguit tijd om eens objectief op een rij te zetten wat biostimulanten zijn, wat ze doen en hoe jij als agrarisch ondernemer het kaf van het koren scheidt als je weer een biostimulanten-verkoper op je erf krijgt.
Om het eerste misverstand maar gelijk uit de wereld te helpen: een biostimulant is geen gewasbeschermingsmiddel (GBM), maar een aanvulling op de bemesting. “Je bestrijdt niets met biostimulanten”, legt Jan Ties Malda van Cebeco Agro uit. “Sterker nog, biostimulanten mogen wettelijk helemaal niet ingezet worden als GBM. Al kan het gevolg van biostimulanten wel zijn dat je minder gewasbeschermingsmiddelen nodig hebt.” Om maar even bij wetgeving te blijven: in Europa zijn er regels opgesteld over biostimulanten. In Nederland nog niet, dus in principe kan iedereen zijn product een biostimulant noemen. Het is dus goed om kritisch te zijn als er een verkoper van biostimulanten jouw erf oprijdt. “Vraag zeker na welke onderzoeken de verkoper kan laten zien. Wat zit er in de biostimulant? Waar is het onderzocht? Door welke partij? Om hoeveel jaren onderzoek gaat het?”, geeft Malda als aanzet. “Als Cebeco Agro doen wij altijd meerjarig onderzoek in meerdere herhaling voor we het effect van een biostimulant aan kunnen én willen tonen.”
Dit is een biostimulant
Biostimulanten bestaan uit een drager, zoals melasse of fulvinezuur, waar verschillende producten aan zijn toevoegd. Denk aan zeewier, melkzuurbacteriën, kruiden of aminozuren. “Een biostimulant is een verlengstuk van de bemesting. Dus een product dat je over het algemeen toevoegt aan een bewerking zoals het zaaien of bemesting”, legt Malda uit. “Met bemesting voed je de planten en een biostimulant ondersteunt die plantenvoeding. Zo zorg je voor een betere wortelgroei, een betere kwaliteit of een betere gezondheidskracht van de plant.” Bij de huidige wetgeving ziet Malda biostimulanten vooral om de hoek komen als er geen wettelijke stikstofruimte meer is, maar de plant nog wel een impuls kan gebruiken.
Biostimulanten zijn niet biologisch
Al doet de naam anders vermoeden: biostimulanten hebben in principe niets te maken met biologisch. Een biostimulant heeft vaak wel een plantaardige of natuurlijke herkomst. Ook zijn er biostimulanten die wél biologisch-gecertificeerd zijn. Daarom zie je biostimulanten wel regelmatig terugkomen in de biologische teelten. Biostimulanten zijn er voor allerlei gewassen: van gras tot groentes, van aardappels tot uien.
Zo werkt een biostimulant
Kort door de bocht gezegd kan een biostimulant de plant een signaal geven om harder te gaan werken. “Zeewier kan bijvoorbeeld in een biostimulant zitten. In zeewier zitten van nature suikers en plant-eigen hormonen. Als je die op het blad spuit kan een plant via het blad een signaal krijgen om bijvoorbeeld meer wortels te maken. Door meer wortels te maken kan de beginontwikkeling sneller verlopen. Bij uien bijvoorbeeld heeft de plant daardoor een snellere start waardoor aaltjes minder kans krijgen”, legt Jan Ties uit.
Biostimulant vraagt omslag in denken
Het gebruik van biostimulanten vraagt om een andere manier van denken. “Je bestrijdt niets, je wilt juist de plant weerbaarder maken en gezond houden. De vraag is dus hoe voorkom ik dat die plant in een situatie komt waar ik gewasbeschermingsmiddelen nodig heb?”
Zo kies je een biostimulant
De eerste vraag is altijd: wat wil je bereiken? Daar kies je dan vervolgens een biostimulant op. Jan Ties Malda onderscheidt daarin vijf thema’s:

1. Bodemweerbaarheid
Biostimulanten met een combinatie van zeewier en kruidenextracten kunnen de plant een signaal afgeven om heel snel wortels aan te maken. Dat maakt dat bijvoorbeeld uien sneller door de kritieke beginfase komen voor aaltjes schade aan kunnen richten.
2. Beworteling / knolzetting
In de maïsteelt is er bijvoorbeeld een biostimulant op basis van melkzuurbacteriën die op een kunstmestkorrel zit en je in de rij strooit. “Zo heb je de bacteriën gelijk dicht bij het zaad zitten, die een snelle beworteling en dus start van de maïsplant geven”, legt Malda uit. In de pootaardappelen hebben biostimulanten met een cocktail van aminozuren, zeewier en melasse een positief effect op pootaardappelen. “Zowel op de knolaanleg als in het aantal knollen zien we hele goede resultaten”, weet Malda, die ditzelfde ziet in de bollenteelt.
3. (temperatuurs)Stress
“Bepaalde biostimulanten kunnen de plant beter om laten gaan met droogte. Bijvoorbeeld door het waterafstotend effect van de bodem te doorbreken, zodat water beter de bodem intrekt. Maar ook door bijvoorbeeld het wortelgestel van de plant te stimuleren zodat het beter bij het vocht kan komen”, legt Jan Ties uit. Biostimulanten met zeewier kunnen hier een rol in spelen.
4. Plantweerbaarheid
Elk gewas heeft eigen biostimulanten die de plantweerbaarheid ondersteunen. Biostimulanten met silicium kunnen bijvoorbeeld uien en aardappels helpen om sterkere cellen te krijgen. Dit maakt de plant weerbaarder tegen ziektes, maar ook tegen uitdagende klimaatomstandigheden.
5. Nutriëntefficiëntie
Door de aangescherpte wetgeving rond stikstof zijn er veel biostimulanten die helpen om de stikstofefficiëntie te verhogen. Zowel in de groenteteelt, als in bijvoorbeeld mais. Zeker biostimulanten op basis van microbiologie kunnen helpen om de beschikbare stikstof optimaal te kunnen benutten.
Reacties